De mythes & werkelijkheid van goud en inflatie

21 augustus 2015

Beleggers in goud worden nog wel eens als doemdenkers weggezet. In de afgelopen jaren werd goud regelmatig aanbevolen door beleggingsgoeroes die een torenhoge inflatie vreesden. Hun voorspellingen kwamen niet uit. De reputatie van goud als beleggingsinstrument liep hierdoor schade op. Is dat terecht? Is goud echt alleen een goede belegging als er een economisch doemscenario op handen is?

We zullen zien dat de twee populairste definities van inflatie gebrekkig zijn en dat dit tot incorrecte voorspellingen leidt.

Inflatie valt per definitie niet met zekerheid te voorspellen. Toch moet elke belegger een gedegen begrip van inflatie (en deflatie) hebben; ofwel om zijn of haar vermogen adequaat te beschermen ofwel om een weloverwogen speculatieve positie in te nemen.

Hoe goud als belegging reputatieschade opliep

Toen in 2008 door centrale banken de geldpers werd aangezet, schreeuwden enkele beleggingsgoeroes moord en brand. Zij vreesden een torenhoge inflatie en goud kopen was volgens hen de enige redding.

Het door hen gevreesde doemscenario kwam echter niet uit.

Nu beleefde de wereldeconomie inderdaad wel enkele magere jaren en het klopt dat beleggers die in 2008 in goud stapten een mooi rendement hebben behaald.

Toch hebben deze zwartgallige voorspellingen de reputatie van goud als beleggingsinstrument flink aangetast. Is dat terecht? Is goud echt alleen een goede belegging als er een economisch doemscenario op handen is?

De drie aspecten van inflatie

Eén van de redenen waarom inflatievoorspellingen vaak de mist ingaan, is dat men definities van inflatie hanteert die niet aansluiten bij wat men met de term inflatie bedoelt.

Wanneer men zegt dat er een stevige inflatie plaatsvindt in een land, dan denkt men aan een drietal zaken:

  1. De prijzen van consumptiegoederen stijgen.
  2. Mensen met schulden profiteren ten koste van hun schuldeisers.
  3. Bedrijven maken collectief hoge boekhoudkundige winsten, maar zien tegelijkertijd hun vervangingskosten flink stijgen.

Het Duitsland van de jaren twintig is het klassieke voorbeeld uit de schoolboeken: eieren kostten miljarden, mensen die geld hadden geleend konden dit met waardeloos geworden papiergeld aflossen en bedrijven maakten biljarden winst maar konden hun productie amper voortzetten.

Wat inflatie werkelijk is

Deze drie aspecten van inflatie kunnen enkel en alleen tegelijkertijd plaatsvinden als het aantal euro’s dat in een land gedurende een jaar wordt uitgegeven stijgt. Economen gebruiken hier de term ‘bestedingsvolume’ voor.

Het bestedingsvolume is gelijk aan het aantal euro’s dat er op bankrekeningen staat en in portemonnees zit—de geldhoeveelheid—keer het aantal maal dat een euro gemiddeld per jaar wordt uitgegeven (hier gebruiken economen de term ‘omloopsnelheid’ voor).

Als bedrijven en particulieren 10 miljard euro op hun bankrekeningen en in hun portemonnees hebben, en elke euro wordt gemiddeld 5 keer per jaar uitgegeven—de omloopsnelheid is 5—dan is het bestedingsvolume 50 miljard euro.

Als het bestedingsvolume stijgt, betekent dit:

  1. Dat er meer aan producten wordt uitgegeven.
  2. Dat het terugbetalen van schulden makkelijker wordt, omdat er meer euro’s te verdienen zijn in de economie.
  3. Dat bedrijven hogere omzetten verdienen en daarmee hogere boekwinsten.

Het woord ‘inflatie’ zou dan ook niet anders dan een stijgend bestedingsvolume moeten betekenen.

Mensen gebruiken de term inflatie echter meestal op twee andere manieren. Dit kan een student aan een economisch opleiding, maar  ook beleggers en beleggingsgoeroes op het verkeerde been zetten. 

Waarom een stijgende consumentenprijsindex (CPI) niet hetzelfde is als inflatie

De populairste definitie van inflatie, de consumentenprijsindex (CPI), kijkt alleen naar het eerste aspect van inflatie.

Meestal zijn stijgende consumentenprijzen het gevolg van een stijgende bestedingsvolume, maar prijzen kunnen ook stijgen als de productie daalt. Denk hierbij aan mislukte oogsten, oorlogen, stakingen, handelsembargo’s en een hele rits andere zaken.

Het inflatiecijfer dat we in de kranten lezen, dekt maar gedeeltelijk wat we met de term inflatie bedoelen. Daarbovenop is het CPI, zoals we vorige week hebben gelezen, noodzakelijkerwijs een ruwe schatting van de stijging in prijzen.

Waarom een stijgende geldhoeveelheid niet hetzelfde is als inflatie

Vanwege de onvermijdelijke onnauwkeurigheid van het CPI, zijn er mensen die inflatie definiëren als een stijging in de geldhoeveelheid. De redenering is dat wanneer de geldhoeveelheid met 10% stijgt, prijzen ook met ongeveer 10% zullen stijgen.

Dit is waarom er door sommigen moord en brand werd geschreeuwd toen centrale banken aan hun ‘kwantitatieve verruiming’ begonnen of toen ECB-voorzitter Mario Draghi zijn fameuze ‘bazooka’ lanceerde. Een stevige inflatie zou binnen enkele maanden of jaren volgen.

Men kon maar beter goud kopen voordat het te laat was, lieten diverse beleggingsgoeroes optekenen.

Waarom kwam hun voorspelling niet uit?

Zoals we nu weten, betekent inflatie dat het aantal euro’s dat binnen een land gedurende een jaar wordt uitgegeven stijgt. Of met andere woorden, dat het bestedingsvolume in dat land stijgt. Deze stijging kan het gevolg zijn van een gestegen geldhoeveelheid, maar ook van een gestegen omloopsnelheid.

Na het uitbreken van de kredietcrisis in 2008 vergrootten centrale banken wereldwijd de geldhoeveelheid op spectaculaire wijze. Tegelijkertijd nam de vraag naar cashgeld enorm toe, bedrijven en particulieren gingen op hun geld zitten. Met andere woorden, de omloopsnelheid daalde scherp.

De combinatie van een stijgende geldhoeveelheid en dalende omloopsnelheid was een min of meer gelijkblijvend aantal euro’s dat in de economie werd uitgegeven. Geen stijgend bestedingsvolume: geen inflatie dus.

De achilleshiel van centraal bankieren: de omloopsnelheid

Om de inflatie te kunnen voorspellen, zou men moeten weten wat de omloopsnelheid komend jaar zal zijn. Om de inflatie te kunnen sturen, zou men de omloopsnelheid moeten kunnen sturen.

Dit is de achilleshiel van inflatievoorspellingen en centrale banken.

De omloopsnelheid—hoe snel mensen en bedrijven hun geld uitgeven, de mate waarin mensen op hun geld zitten—is in de kern een massaverschijnsel. Niemand heeft er direct controle op. Niemand is helderziend genoeg om te weten hoe hoog de omloopsnelheid in de toekomst zal zijn.

De lijst van factoren die van invloed zijn op de omloopsnelheid is lang: de beschikbaarheid van krediet, de rentestand, de mate waarin de geldhoeveelheid stijgt of daalt, het consumentenvertrouwen, het sentiment onder beleggers, inflatieverwachtingen, enzovoort.

Centrale banken proberen deze factoren te beïnvloeden om zo hun ‘inflatiedoelstellingen’ te halen. In het geval van de ECB is dit een jaarlijkse prijsstijging van consumptiegoederen van 2%.

Om deze 2% te realiseren, moet het bestedingsvolume jaarlijks met twee procent meer stijgen dan de toename in de productie.

In de jaren voorafgaand aan de crisis dachten vele economen dat de omloopsnelheid—en daarmee het bestedingsvolume—relatief stabiel en goed te controleren was.

Wat er tijdens de kredietcrisis dreigde te gebeuren

In 2008 werden deze economen verrast: bedrijven, financiële instellingen en particulieren gingen massaal op hun geld zitten, en het bestedingsvolume dreigde in te storten. Met andere woorden: deflatie dreigde.

Deflatie is het omgekeerde van inflatie, oftewel:

  1. Dalende prijzen.
  2. Het terugbetalen van schulden wordt moeilijker.
  3. Bedrijven komen collectief in de rode cijfers terecht.

Dit scenario wilde centrale banken absoluut vermijden. Hun beleid was tweeledig: verhoog de geldhoeveelheid en probeer de omloopsnelheid omhoog te krijgen.

Mocht de omloopsnelheid echter te ver stijgen en het bestedingsvolume daarmee ruim voorbij de inflatiedoelstelling oplopen, dan zullen centrale banken weer op de rem trappen.

Wat beleggers over inflatie moeten weten

Wat zijn nu precies de lessen voor beleggers in goud?

Inflatie valt niet met zekerheid te voorspellen, dus sensatieverhalen kan men gerust negeren.

Centrale banken proberen de omloopsnelheid en het bestedingsvolume te sturen richting hun inflatiedoelstelling, maar ze kunnen de controle verliezen.

Het verliezen van de controle richting deflatie is onwaarschijnlijk, omdat centrale banken de geldhoeveelheid praktisch oneindig kunnen verhogen.

Het verliezen van de controle richting inflatie kan wel plaatsvinden. De financiële geschiedenis biedt diverse voorbeelden. In bananenrepublieken leidde dit nog wel eens tot hyperinflatie.

Zo extreem zal het in de Westerse wereld niet uit de hand lopen. Een scenario als in de Verenigde Staten begin jaren zeventig kan wel voorkomen: een officiële inflatie die de dubbele cijfers heeft gehaald.

Zeker aangezien ‘een stevige dosis inflatie’ in IMF-rapporten openlijk genoemd wordt als één van de oplossingen voor overmatige staatsschulden in de Westerse wereld.

Extreme doemscenario’s hoeft men dus niet te vrezen. Het aanbevelen van goud om deze reden is inderdaad onzinnig.

Toch kan een stevige inflatie altijd onverwacht de kop op steken en dat moeten beleggers goed in het oog houden. Goud is één van de manieren waarop beleggers zich tegen zulke scenario’s kunnen beschermen of hierop kunnen speculeren.

Wat inflatie voor speculerende goudbeleggers betekent

Beleggers die bereid zijn om risico’s te nemen kunnen op dergelijke ontwikkelingen speculeren door een aanzienlijk deel van hun financieel vermogen in de vorm van goud aan te houden.

Gezien de mate waarin economen het tegenwoordig over financiële repressie hebben, valt hier het nodige voor te zeggen.

Zolang men maar goed onthoudt dat er dus geen sprake is van een zekerheid. Een toename van de geldhoeveelheid leidt niet automatisch tot inflatie.

Bovendien hoeven beleggers in tijden van inflatie niet noodzakelijkerwijs in goud te vluchten. De kans is aanzienlijk, maar er is geen garantie.

Wat inflatie voor risicomijdende beleggers betekent

Voor beleggers die hun vermogen rustig willen laten groeien, is een kennis over de aard van inflatie van cruciaal belang.

De potentiële onvoorspelbaarheid van inflatie en de desastreuze impact van inflatie voor vastrentende beleggingsinstrumenten, maken een gedegen bescherming tegen inflatie hoogst wenselijk.

Dit is wat goud de risicomijdende belegger te bieden heeft:

  1. Bescherming tegen inflatie die altijd onverwacht de kop op kan steken.
  2. Bescherming tegen mogelijke financiële repressie.
  3. Diversificatie; goud reageert immers meestal anders op gebeurtenissen in de (financiële) wereld als reguliere beleggingsinstrumenten als aandelen en obligaties.

Nieuwsbrief

Meld u aan voor onze wekelijkse nieuwsbrief en ontvang automatisch de scherpste analyses en het allerlaatste nieuws

Dit heeft niemand door en heeft enorme gevolgen

Meld u nu aan voor onze wekelijkse nieuwsbrief en ontvang gratis het exclusieve rapport:

“10 dingen die u MOET weten over goud”