O, o…centrale banken gaan evalueren

26 november 2018

Hoe ga je te werk als je als centrale bank de ruimte waarbinnen je mag opereren wilt vergroten om zo een beleid te voeren dat nog schadelijker is voor de gewone man, en meer gevolgen voor de financiële markten heeft, zónder dat het publiek je plannen doorziet? Wat je in ieder geval níet doet, is zeggen dat je dat wilt natuurlijk.

Wat je wel doet, is de wijziging verpakken in iets wat op zijn minst zo onschuldig mogelijk klinkt en als het even kan, zelfs door de buitenwereld opgevat kan worden als een soort boetedoening. Je giet er vervolgens een academisch sausje overheen, in de vorm van ronkende wetenschappelijke papers, het liefst geschreven door bekende academici (die werken maar wat graag mee zoals we destijds bij IJsland hebben gezien) Dat is precies wat enkele centrale banken onlangs hebben gedaan. Persoonlijk baart het me grote zorgen voor de (nabije) toekomst.

Waar gaat het over? De Fed, de Amerikaanse centrale bank, kondigde onlangs aan eigen monetaire strategie te evalueren in 2019. Kan het beter?, hoe kunnen we die beter uitleggen?, dat soort vragen. Klinkt niet alleen geruststellend maar ook als dat de bank de hand in eigen boezem steekt, toch? Die schijn bedriegt. De Fed zegt als onderdeel van die evaluatie ook na te gaan of de doelstellingen van de bank aangepast moeten worden. En dáár wordt het allemaal precair.

De afgelopen jaren slaagde de bank er maar moeilijk in de inflatie rondom 2 procent per jaar te houden. Alles werd uit de kast gehaald en uiteindelijk lukte het. Maar toen diende een ander probleem zich aan. De inflatie klom zodanig snel op, dat de bank de rente moest verhogen. De Fed doet dat al enige tijd maar eigenlijk had het allemaal wat sneller en meer gemoeten, gezien de inflatieontwikkelingen.

Wat zou het toch handig zijn als de doelstelling van de Fed grote gelijkenis zou vertonen met de mobiele abonnementen van weleer. Kunt u zich nog herinneren dat er ooit abonnementen waren met, zeg 100, belminuten per maand in de bundel waarbij je de niet opgebruikte minuten mee kon nemen naar de volgende maand.

Zoiets zou de Fed, en andere centrale banken, goed uitkomen. Als je bijvoorbeeld in 2015 inflatie zag uitkomen op 0 procent waar je op 2 procent mikt en hetzelfde zich voordeed in 2016 en dat de inflatie in 2017 en 2018 op circa 1,5 procent uitkwam, dan zou je eigenlijk moeten zeggen dat je in 2019 en 2020 mag streven naar 3 á 4 procent inflatie per jaar. Waarom zo veel? Nou, omdat je de niet opgebruikte inflatiebelminuten als het ware uit 2015, 2016, 2017 en 2018 mee mag nemen naar volgend jaar en jaar erop. Als dat de regel was geweest, dan kon de Fed rustig achterover leunen en de rente niet of veel minder verhogen.

Het slechte nieuws is, dat de wet op de centrale bank niet zo in elkaar steekt. Het goede nieuws is dat dat nog kan komen. De tovernaam is ‘nominal gdp targeting’. Als de centrale banken de opdracht zouden krijgen bijvoorbeeld 5 procent nominaal bruto binnenlands product (bbp) na te streven, dan zou die wens uitkomen. Nominaal bbp is de optelsom van de echte groei, wat u in de media tegenkomt als er weer een bericht te lezen is dat de economische groei zoveel procent bedroeg, inclusief de inflatie.

Stel nu dat de centrale banken niet meer 2 procent inflatie maar 5 procent stijging van het nominale bbp moeten nastreven. Dat betekent dat als de economische groei in een jaar 1 procent bedraagt, de bank alles mag doen om de prijzen met 4 procent te laten klimmen! Dat ‘alles doen’ betekent niet alleen de rente op 0 procent houden (waardoor de spaarrente ook heel lang heel laag blijft) maar ook op een nog grotere schaal obligaties opkopen, met zeepbellen op de markten tot gevolg. Zeepbellen die vroeg of laat barsten, met alle negatieve gevolgen van dien. Voor met name de middenklasse.

‘Maar zou het dan echt zulke verregaande gevolgen hebben?’,  hoor ik u denken. ‘Ik bedoel, er worden hier en daar wat woorden aangepast in de wet, is dat nou zo erg?’. Wat dat betreft spreekt een ervaring uit de eurozone boekdelen in mijn ogen.

Toen de Europese Centrale Bank (ECB) werd opgericht, kreeg ze als taak te zorgen voor prijsstabiliteit. De bank definieerde prijsstabiliteit als ‘inflatie onder 2 procent, op middellange termijn bezien’. De wet schreef voor dat de Europese centrale bankiers hun rentebeleid moesten stoelen op twee pijlers: een economische, namelijk analyse van economische ontwikkelingen, en een monetaire, omdat historie leert dat als een centrale bank de geldgroei te hoog laat worden, daarna onvermijdelijk de inflatie te hoog wordt.

In 2003 ging de ECB zijn monetaire strategie evalueren. Sindsdien is de monetaire pijler zo goed als verdwenen, iets waardoor de bank de geldhoeveelheid fors kon laten stijgen. Maar de meest significante gevolg van die evaluatie, was de aanpassing van de definitie van prijsstabiliteit. Die luidt sinds 2003 niet meer ‘inflatie onder 2 procent’ maar ‘inflatie onder, maar in de buurt van, 2 procent’. Die paar extra woorden ‘maar in de buurt van’ zorgden voor een wereld van verschil. Toen de inflatie in de eurozone in de laatste crisis zakte naar 1 procent, was de ECB er als de kippen bij om de rente te kortwieken en staatsobligaties á 80 miljard euro per maand op te kopen. De reden daarvoor? De inflatie was te laag. 1 procent was immers wel minder maar niet ‘in de buurt’ van 2 procent. Was de definitie in 2003 niet gewijzigd, dan was het voor de bank veel lastiger de rente te verlagen naar 0 procent en daar jarenlang op te houden.

Als de aangekondigde evaluaties ertoe leiden dat de centrale banken meer bewegingsruimte krijgen dan ze nu al hebben, lees dat ze de inflatie mogen toestaan hoger te worden, dan zou dat veel eerder gunstig dan ongunstig zijn voor edelmetalenprijzen op middellange termijn.   

Nieuwsbrief

Meld u aan voor onze wekelijkse nieuwsbrief en ontvang automatisch de scherpste analyses en het allerlaatste nieuws

“Tien dingen die u moet weten
alvorens u belegt in goud”

Meld u nu aan voor onze wekelijkse
nieuwsbrief en ontvang gratis het
exclusieve rapport over het beleggen
in goud.